SAMENWERKING WONEN-WELZIJN BIJ VERSNELDE TOEWIJZING

 

Nood aan meer communicatie en samenwerking

 

De groeiende bewustwording voor de verwevenheid van wonen en welzijn stuurt sociale huisvestingsmaatschappijen naar een verhoogde samenwerking met andere actoren. Ede De Boer onderzoekt in haar masterproef een aspect van die samenwerking: de versnelde toewijzing van kwetsbare groepen. Woonwoord las met veel interesse.

 

In haar masterproef onderzoekt Ede De Boer hoe SHM’s samenwerken met verschillende actoren bij een versnelde toewijzing. Elke SHM komt namelijk in aanraking met versnelde toewijzing en de maatregel is woongericht.

 

De samenwerking bij versnelde toewijzing kan je opdelen in twee fases: de screening van de cliënt voordat deze een woning versneld toegewezen krijgt en de opvolging na deze toewijzing. Via drie strategische gekozen cases illustreert De Boer de verschillen en overeenkomsten tussen de visie van de SHM’s en partners in het screeningsproces en opvolging. Het is meteen duidelijk dat er toch een verschil is in visie tussen SHM’s en de sociale partners.

 

 

Fase 1: de screening


SHM’s tonen zich strenger rond de reglementering en verwachten vooral kandidaten die woonklaar zijn. De welzijnsactoren hebben weliswaar eigen criteria  waarmee ze kandidaten selecteren om een versnelde toewijzing te vragen (SHM’s hebben elk ook specifiek voorwaarden), maar zijn toch meer geneigd om de contextuele situatie van de kandidaat te laten meespelen in de beoordeling. In de verschillende cases omschrijven de sociale partners hun manier van werken en uiten de SHM’s hun verwachtingen, maar er is geen sprake van een structureel overleg tussen alle actoren over dit onderwerp.

 

Zowel de SHM’s als de sociale partners leggen als voorwaarde voor de versnelde toewijzing een begeleidingstraject op aan de kandidaten. De begeleidingstrajecten zijn allemaal beperkt qua tijdsduur; de inhoud van de trajecten zijn allen verschillend en aangepast aan de situatie van de kandidaten. Maar, de rode draad is wel om de afspraken te verduidelijken en op te volgen.

 

Bij een uiteindelijke aanmelding en toewijzing hanteert elke speler nog zijn eigen beslissingsprocedures. De sociale welzijnsactoren beslissen over de aanmelding en maken een verslag (al dan niet beperkt). De SHM’s beslissen dan over de aanvraag in de directieraad of op de raad van bestuur. In geen van de cases wordt een moment ingericht waar sociale actoren en SHM’s in overleg de aanvragen beoordelen.

 

 

 

Fase 2: de opvolging


De opvolging van de huurder start altijd bij de sociale actor die de huurder heeft aangemeld. Toch zal de actor niet de hele afgesproken begeleidingsduur de huurder opvolgen. Na een periode (die varieert naargelang de sociale actor) geeft de actor de begeleiding door aan een derde partij. Ook hier schijnt er nog geen overkoepelend overleg te zijn tussen de verschillende spelers. Contacten tussen de sociale actoren en de SHM’s zijn vooral casusgericht. Het SHM zal vooral in overlast een aanleiding zien om naar de begeleiding te kijken voor het oplossen van de overlast.

 

 

Kritische succesfactoren


Doorheen de cases blijkt duidelijk dat er nog ruimte is om de samenwerking tussen de SHM’s en de sociale actoren te verbeteren. Op het vlak van gezamenlijk overleg en het afstemmen van de procedures en verwachtingen binnen elkaars  werking ligt er nog ruimte voor vooruitgang.

 

 

Er zijn weliswaar nog andere factoren te identificeren die de samenwerking beïnvloeden, maar ook daar zullen duidelijke afspraken tussen de verschillende spelers de bepalende factor zijn voor het succes ervan. De cases illustreren duidelijk dat vooral daar nog gebrek aan is. In haar conclusie adviseert De Boer dan ook dat communicatie over de organisaties heen een bijdrage kan leveren in de samenwerking. Het blijft dan ook belangrijk om te investeren in het leren kennen van elkaar om zo de cultuurverschillen te overbruggen.

 

Tekst: Geert Van Soom, raadgever financieel beheer SVK's